
In gemeente Zeewolde minste leegstaande corporatiewoningen van Flevoland
· leestijd 1 minuut AlgemeenZEEWOLDE - In de gemeente Zeewolde is het aantal leegstaande corporatiewoningen in 2024 met 12,5% toegenomen. Waar in 2023 nog 32 woningen van woningcorporaties onbewoond waren, zijn dat er nu 36. Dit betekent dat 1,7% van de corporatiewoningen in Zeewolde momenteel leegstaat.
Deze stijging sluit aan bij de bredere trend binnen de provincie Flevoland, waar de totale leegstand van corporatiewoningen het afgelopen jaar met 82 woningen toenam. Dat blijkt uit onderzoek van tijdelijke huisvester CareX. In vijf van de zes Flevolandse gemeenten nam de leegstand toe, met Lelystad als koploper: daar steeg het aantal onbewoonde corporatiewoningen met 96. Almere was de enige gemeente waar de leegstand juist daalde.
Binnen Flevoland is de leegstand het grootst in de gemeente Dronten, waar 4,1% van alle corporatiewoningen onbewoond is. In Zeewolde ligt dit percentage aanzienlijk lager, op slechts 1,7%.
Sloop
Leegstaande sociale huurwoningen, die bedoeld zijn voor het meest kwetsbare deel van de samenleving, zijn Ruud Bremmer van CareX een doorn in het oog. “In de praktijk zien wij bijvoorbeeld vaak dat bij woningcorporaties bepaalde woningen op de nominatie staan om gesloopt of gerenoveerd te worden. Dat kan dan nog jaren duren, maar corporaties plaatsen bewust geen nieuwe huurders. Die moeten ze dan immers ook weer aan nieuwe woonruimte helpen als het moment daar is en bovendien een verhuiskostenvergoeding betalen.”
Volgens Bremmer zouden leegstaande corporatiewoningen kunnen worden ingezet om een ‘flexibele woonschil’ op te bouwen. Met behulp van de Leegstandwet kunnen woningcorporaties deze woningen tijdelijk verhuren zonder de verplichtingen die normaal bij verhuur komen kijken.
Schil
Bremmer benadrukt dat regionale samenwerking hierbij cruciaal is. “Door als gemeenten en corporaties gezamenlijk te kijken naar vraag en aanbod in de regio, kunnen we leegstaande woningen efficiënter inzetten. Zo creëren we een vitale flexibele schil die sneller oplossingen biedt aan mensen in urgente woonsituaties, zoals bij echtscheidingen. Bovendien verlichten we hiermee de druk op de woningmarkt en besparen we maatschappelijke kosten.”
Bremmer ziet daarnaast kansen voor samenwerking met andere partijen. “Aan de aanbodzijde kunnen maatschappelijk ingestelde vastgoedeigenaren, zoals onderwijsinstellingen en projectontwikkelaars, een rol spelen. Aan de vraagzijde zijn het vooral grote werkgevers, zoals zorginstellingen, onderwijsorganisaties en bedrijven in de maakindustrie, die afhankelijk zijn van personeel van buiten de regio. Door samen te werken bouwen we niet alleen een flexibele woonschil, maar maken we de regio ook aantrekkelijker en toegankelijker voor het broodnodige personeel van buitenaf.”























