
Michiel z’n appels
· leestijd 1 minuut Bij de lesWie is er nog nooit bij de Wok rechtdoor gegaan, de brug over, het buitengebied in. In het voorjaar, als de fruitbomen in bloei staan. Wat wonen we mooi.
Ik fiets daar graag een rondje. Ik ga dan via de Ossenkampweg, aan ‘t einde linksaf het fietspad tussen de schapen op, weer links en dan uitkomend bij die fruitbomen in de bocht.
In september kijk je helemaal je ogen uit met al die appels en peren.
Ik stel me dan zo voor hoe je als boer en boerin genietend rondkijkt, naar de bomen die je zelf plantte, snoeide, beregende en liefde gaf. De zorgen als het vriest of het te droog is. Dat je trots bent als die prachtige appels rood kleuren. Wat een feest het is als de plukkers komen om te helpen jouw levenswerk in kratten te stapelen. Hoe blij je bent als anderen hun tanden zetten in jouw vruchten. En het goede gevoel dat je met de opbrengst van de appels je gezin onderhoudt.
Die boer is altijd gezond. In de kracht van z’n leven. Blozende wangen van de buitenlucht. Sterke spieren door al ‘t gesjouw. En joviaal. Tenminste; dat hoort zo bij ‘t plaatje.
Die boer hoort niet ziek te worden. Hij hoort zo jong geen kanker te krijgen. En geen foto’s te moeten maken op zijn laatste appelpluk afgelopen oktober. Die hoort zijn levenswerk en boerderij niet vroegtijdig te hoeven verkopen. En geen afscheid te nemen van allen die hem lief zijn.
Hij ziet de bloesem dit voorjaar niet uitbotten en geeft zijn meiden niet weg als ze trouwen. Hij is er niet bij als zijn vrouw haar nieuwe huis inricht, als z’n vrienden de berg op fietsen en als vreemden hun appels plukken.
Elk jaar zullen daar de appels weer groeien. Rood en sappig. De erfenis van liefdevol werk van toegewijde fruittelers!
En als ik m’n rondje fiets, en aankom op de hoek; dan blijven het de appels van Judith en Michiel.































