
Bij de les | Bang
· leestijd 1 minuut Bij de lesWekelijkse column over het reilen en zeilen op een middelbare school en over de belevenissen in een gezin met pubers en het leven in Zeewolde.
Bang
Ik reed rond 21.30 uur Harderwijk binnen met de auto. Op het fietspad naast me zag ik in een flits een jongen in het gras liggen. Zijn fiets lag ernaast en er stonden twee jongens bij.
Zag ik het nou goed? Kreeg hij een trap? Ik was er inmiddels alweer voorbij en draaide om bij de rotonde, en weer terug langs de jongens. De ene nog in het gras, de andere twee keken naar mij. Misschien had ik het fout gezien en was de jongen gevallen. Had hulp nodig. Dus ik draai een weg in en kon zo het fietspad op. Mijn panda past daar gemakkelijk op.
Blijkbaar was de jongen op de grond toch niet zo gewond, want ze springen alle drie op de fiets. Gelukkig maar. Ik kan niet terug dus rij over het fietspad achter de jongens aan. Het zit me niet helemaal lekker. Wat deed die jongen nou in het gras. En ik zag toch echt die trap? Of niet?
Aan het einde van het fietspad kan ik naast de jongens rijden. De jongen die op de grond lag fietst in het midden. Zie ik nou bloed op zijn gezicht? Ik draai mijn raampje open: “Gaat ’t een beetje?”, vraag ik. “Je lag op de grond toch? Was je gevallen?” De jongen draait zijn hoofd weg. En een van de twee anderen antwoordt snel en bot: “Het gaat prima. Was een spelletje. Rij nou maar door”.
“Domme bitch”, hoor ik die ander zeggen. De stille jongen kijkt weg. Dan pakt de bijdehandste zijn telefoon, gaat achter me rijden en maakt een foto. Hij roept nog: “De volgende keer pakken we jou”. En vervolgens duiken ze een zijweg in. Weg.
En ik? Ik voel me opeens bang. Een rotgevoel. Was ik nou zo dom om om te draaien?
Wat als ik was doorgereden? Had ik dan beter geslapen? Of juist niet?
We zeggen zo makkelijk dat we naar elkaar om moeten kijken. Dat we moeten helpen, niet wegkijken. Maar wanneer het erop aankomt, voelt helpen ineens als risico nemen.
Maar ergens fietste daar een jongen die wellicht veel banger is dan ik. Ik ben die jongens kwijt. Ik weet niet of hij oké is. Ik hoop dat hij veilig is thuisgekomen. Maar daar zal ik wel nooit achter komen.
“Had ik ’t anders kunnen doen?” maalt het door mijn hoofd.
Bah, wat een gasten die jongens. Zij maken een wereld waarin je je mond houdt als je wordt lastiggevallen en waarin stoppen je bang maakt.































