
Zeewolde 40 jaar: ‘Een busrit om niet te vergeten’
· leestijd 2 minuten IngezondenZEEWOLDE - Op onze oproep aan inwoners om verhalen en anekdotes met ons te delen uit de afgelopen veertig jaar is een aantal mooie reacties binnengekomen, zoals deze van Miriam Breg.
“Het is december 1980, ik ben een meisje van negen jaar. Opgegroeid in Scharmer, gemeente Slochteren, op de boerderij. Samen met mijn broers Corné (12 jaar) en Jeroen (10 jaar) gingen we in Hoogezand-Sappemeer naar de lagere school. Het was een fijne, moderne, vooruitstrevende school waar veel gezongen werd en muziek was. Ik herinner me liedjes van Benny Vreden en muziek van Alfred Jodokus Kwak van Herman van Veen. Mama bracht ons met de auto naar school. Tussen de middag aten we bij een gastgezin; tante Tiny en ome Cees.
In 1980 veranderde er veel voor ons; we verhuisden naar Zeewolde. We verlieten ons huis, de buren, de gymnastiek vereniging, onze fijne school en tante Tiny. Het was al tijden erg onrustig in ons gezin, papa was al maanden zowel in Zeewolde als in Scharmer. Een aantal keer had hij met een trekker en volle kar de lange rit gemaakt, en nu verhuizen we met z’n allen naar de nieuwe polder.
Er is nog erg weinig in Zeewolde. Op de boerenwegen staan grote huizen bij grote schuren en stallen. Op het Trekkersveld is agrarische activiteit en restaurant de Trekker herbergt de huisarts en op zondag zowel de protestante als de katholieke kerk.
Op ons adres tegen de Knardijk aan staat een stal en een garage. De contouren van het huis zijn zichtbaar en er staan twee stacaravans met een klompenhok ertussen. Douchen doen we in de melkstal. In de stal staat de wasmachine en mama droogt de was boven de motor van de melkmachine. Voorlopig is dit ons thuis.
Gelukkig is er eerst de kerstvakantie, maar dan moeten we er toch aan geloven; we gaan naar school. Omdat Zeewolde nog geen school heeft, gaan we in Biddinghuizen naar school: de Wingerd. De eerste keren brengt mama ons, maar al snel gaan we, net als de andere kinderen van de boerderijen, met een bus heen en terug. Eerst fietsen we naar de kruising met de Lepelaarweg waar we wachten op de bus. In de bus zitten kinderen van de Reigerweg, Roerdompweg, Appelvinkweg, Lepelaarweg en Ooievaarsweg. Op Trekkersveld stappen nog meer kinderen in. Als meisje van negen vind ik het heel spannend met al die grote kinderen. Ze praten druk en lopen door de bus.
En dan rijden we over de Baardmeesweg, over de dijk langs de sluis van de Hoge Vaart. Alle grote jongens en meisjes gaan achterin de bus staan. Ze houden zich vast aan de stoelen, het geluid van hun stemmen zwelt aan. Op een teken van één van de kinderen springen ze allemaal de lucht in, exact op het moment dat er een flinke hobbel in de weg zit. De hele bus schudt. Gelach en gejuich. Dan opeens stopt de bus, midden in de kale polder. De deuren gaan open en de buschauffeur staat vooraan in het gangpad. Hij is boos en wijst naar de deuren: “Allemaal eruit”. Het is doodstil in de bus, iedereen gehoorzaamt aan de chauffeur. Ik zoek mijn broers op en kijk naar de sluis in de verte; daar achter de dijk zijn papa en mama.
De deuren van de bus sluiten en de bus rijdt langzaam weg. Tranen wellen op in mijn ogen…
Gelukkig stopt de bus na enkele meters en de deuren gaan weer open. In stilte stappen we allemaal weer in en vervolgen we de rit naar Biddinghuizen.
Daar aangekomen op Het Plein stappen alle kinderen uit. Langzaam komt het geroezemoes weer op gang. De groep splitst zich op, iedereen loopt naar zijn eigen lagere school.
Een busrit die erg veel indruk op mij heeft gemaakt. Ik ben ‘m nog altijd niet ben vergeten.”






























