
Bij de les | Weer re-integreren
· leestijd 1 minuut Bij de lesWekelijkse column over het reilen en zeilen op een middelbare school en over de belevenissen in een gezin met pubers en het leven in Zeewolde.
“Wil je voor volgende week deze lijsten invullen?” Ik knik. “En deze drie lijsten zijn voor drie personen die belangrijk zijn in jouw leven.” Ze verduidelijkt: “Dat moeten die drie mensen dan over jou invullen.” Aha. Braaf knik ik weer. “En online stuur ik je ook nog twee vragenlijsten toe. Dan kunnen we je sterke en minder sterke punten in kaart brengen.”
Ze is lief hoor, deze dame, maar ik ben dit soort gedoe zo zat. De rompslomp die re-integratie heet. Ik weet zo onderhand wel wat ik kan en wie ik ben. Die sterke en minder sterke kanten zijn al tot in den treure aan de orde geweest.
“Kijk”, zegt ze, “stel dat jij niet meer terug kunt in je baan voor de klas, wat vaak voorkomt na kanker én een infarct, dan moeten we toch ander werk voor je hebben.” Ze gaat nog even door: “Een boekwinkel, lijkt je dat niks? Dat is rustiger en vást ook beter voor je.”
De moed zakt me in de schoenen. Het voelt als een soort straf; een foute beloning voor het harde knokken om beter te worden. Als ik even later in de auto zit moet ik opeens zo huilen. Die stomme kanker heeft al zoveel kapot gemaakt; niet ook nog mijn werk! Ik snap dat dit moet van het UWV. Dus ga ik netjes naar al mijn afspraken: Arbo-arts, re-integratie-mevrouw, Tweede-Spoor-Coach, arbeidsdeskundige en personeelsadviseur. ‘k Vind er alleen niks aan.
Ik wil graag weer werken want ik heb zo’n ontzettend leuke baan. Oké, het is niet bepaald prikkel-arm met een paar duizend pubers op zo’n school en een hoop stuiterballen in een lokaal. Maar ik hoef géén ander werk.
Haar stem heeft post gevat in mijn hoofd en galmt door mijn hoofd: “het lukt je vast niet om weer voor de klas te komen”, “veel te druk voor je”, “pas je goed op; je wilt het niet weer krijgen toch?”
Op vrijdag neem ik de hobbel: ik ga naar school. Ik kijk achterin de klas mee, haal thee en doe klusjes. En het gaat het goed. Vertrouwd en leuk. Na drie uur stap ik weer in de auto. Moe. Maar zo happy!
Die avond belt er een leerling. “Mevrouw, sorry dat ik stoor, maar ik zag u vandaag op school en daarom durf ik wel te bellen met een vraag: Wilt u mijn werkstuk-begeleider zijn komend jaar?” Langzaam zakt het “lukt toch niet”-stemmetje naar de achtergrond. “En óf ik dat wil”, reageer ik. “Fijn!”, zegt ze blij. Ik denk dat ik blijer ben dan zij!
“What if I fall? Oh my darling: what if you fly.”































