
80 jaar vrijheid (deel 11): “Ik hoorde bij de soldaten die bij ons op de boerderij sliepen”
· leestijd 2 minuten 80 jaar vrijheid InstagramDit jaar is het 80 jaar geleden dat Nederland bevrijd werd. Dorpsgenoten halen herinneringen op. Deel 11: Arend Dubbelboer (1934).
(door Mannes Schoppink)
Arend Dubbelboer werd geboren op 15 februari 1934 als oudste kind van Sikko (1905-1980) en Hennie Dubbelboer-van Heuvelen (1909-2003) uit het Drentse Tweede Exloërmond. Het gezin zou later vier kinderen tellen. Vlak voor het begin van de oorlog, op 1 mei 1940, mocht Arend voor het eerst naar school. Daar had hij echter niet zoveel zin in. “In de Veenkoloniën had je talloze kanaaltjes, sloten met een breedte van een meter of tien”, steekt de thans 91-jarige ex-boer van wal. “Overal lagen bruggen, maar op 10 mei, toen de oorlog uitbrak, liet men ze allemaal de lucht in vliegen. Dat was om de Duitse opmars zoveel mogelijk proberen te vertragen. De soldaten die de bruggen moesten verdedigen, sliepen op de zolder van onze boerderij. En toen moest ik dus naar school.”
Het was niet vreemd dat de aandacht van de kleine Arend daar niet naartoe ging... “Die soldaten waren allemaal jonge mannen, die kinderen als ik hadden. Ze konden de hele tijd niet naar huis. Regelmatig zat ik bij een van hen op schoot. Ze hadden zelfs een geweertje voor mij gemaakt. Zodoende werd ik ook een beetje soldaat. Voor mijn gevoel hoorde ik gewoon bij hen.”
Slachten
Tweede Exloërmond heeft nooit in een frontlinie gelegen, het leven kabbelde voort in oorlogstijd. “Er was altijd genoeg te eten op de boerderij”, knikt Arend. “We hadden verschillende dieren die geslacht konden worden. Wat natuurlijk niet mocht, maar wel gebeurde. Er waren nog drie ooms en tantes met elk vier kinderen, we waren dus met zestien neefjes en nichtjes en altijd bij elkaar.”
Voor hongertrekkers uit het Westen waren de Veenkoloniën wat ver, al weet Arend nog wel dat er soms familie van elders kwam om ‘aan te sterken’. “Het huis zat altijd vol, vaak zaten we wel met z’n dertienen aan tafel. Je hoorde regelmatig nieuws, maar als er echt wat was werden wij kinderen de kamer uitgestuurd. Wij mochten het dan niet horen. Logisch natuurlijk.”
Turf
Ook in Drenthe kwam er op een bepaald moment gebrek aan alles, daar ontkwam zelfs Tweede Exloërmond niet aan. Op de school van Arend raakten inkt en papier op. “Meester Brouwer had nog envelopjes die hij in stukken scheurde, zodat we toch sommetjes konden blijven maken.” Op een gegeven moment was echter ook de turf op. Gelukkig was vader Dubbelboer er nog. “Hij had zoiets van: het hele veld ligt hier hartstikke vol met turf. Toen kon de school toch doorgaan.”
Vreemde kwast
Meester Looijenga was een wat vreemde kwast. Arend kan hem nog zo uittekenen. “Het was een klein mannetje met een bochel. Hij was daarnaast homo. Adolf heeft er om minder doodgeschoten. Maar de onderwijzer was ook NSB’er. Hij keek jaloers naar Duitsland. Daar was het echt een opgaande tijd. De fabrieken draaiden er als nooit tevoren. Hij vond dat het met de kleine boeren in Nederland níet goed ging en was daarom meer Duits georiënteerd. Hij was geen verrader of zo, maar ik ben wel blij dat hij nooit geweten heeft dat er tegenover hem Joden ondergedoken zaten.”
Arend kan zich dokter Boeke eveneens nog herinneren. “Hij moest z’n auto inleveren en ging toen met een paard bij zijn patiënten langs. Dan zag je hem in galop voorbijkomen. Het paard kreeg natuurlijk overal te vreten. Bij een bevalling moest het beest er soms uren blijven staan.”
Bij de bevrijding wilde vader Dubbelboer met een buurman naar Exloo fietsen om de Canadezen te zien. “Daar kwam alleen niets van terecht. De Duitsers stonden er nog terug te schieten. Vader en de buurman doken toen gauw in een sloot en zaten helemaal onder het eendenkroos. Het verhaal is later vaak verteld…”
![]()
vrijheid.nl






























