
80 jaar vrijheid (deel 13): ‘Jongelui, stop er maar mee, de oorlog is afgelopen’
· leestijd 2 minuten 80 jaar vrijheid InstagramDit jaar is het 80 jaar geleden dat Nederland bevrijd werd. Dorpsgenoten halen herinneringen op. Deel 13: Maria Louwes-Verheijdt (1931).
(door Mannes Schoppink)
Maria Louwes-Verheijdt werd geboren op 20 september 1931 en was het enige kind van Michel Adrianus (1903-1979) en Maria Verheijdt-van den Heuvel (1910-1989). Vader was van beroep timmerman/aannemer. Maria bracht het grootste deel van de oorlogsjaren door in haar geboorteplaats Haarlem.
Ze kan erover vertellen, alsof het gisteren gebeurde. “We woonden vlak bij de Ripperda Kazerne, waar in vredestijd de cavalerie zat”, diept ze op. “Die stond aan de Kleverlaan en wij woonden op de hoek van de Schoterweg en de Kloosterstraat. Regelmatig werden er mensen opgepakt, die vervolgens naar de kazerne werden gebracht. Soms lukte het een enkeling te ontsnappen. Meestal wisten ze over een schutting bij het café in de buurt weg te komen. Dan kwam zo iemand bij ons terecht. Mijn moeder, die fijnnaaister was, had speciaal al dameskleding klaargelegd. Dan werden die mensen omgekleed, kregen ze dameskleding aan en brachten we ze naar de begraafplaats. Daar was het mogelijk in de buurt ergens onder te duiken. Al met al was dat best link.”
Poppenwagen
Maria liep regelmatig met haar poppenwagen op straat. “Daar zat volop ondergoed en koperwerk van mijn ouders in”, vertelt ze daarover. “Koper moest je in de oorlog inleveren en dat wilden mijn ouders natuurlijk niet. Door ermee over straat te lopen, zouden ze het ook niet bij ons thuis kunnen vinden.”
Vader Verheijdt werd 40 in oorlogstijd. Hij had de leeftijd om via de Arbeitseinsatz in Duitsland te werk te worden gesteld. “Dat hoefde hij gelukkig niet. Wel werd hij gevorderd afmeerpalen te plaatsen bij de marinekazerne in Amsterdam. Dat wilde hij wel doen, maar dan moesten zijn vrouw en dochter mee. Zo hebben we een paar maanden in die kazerne in Kattenburg gezeten.”
Vader en moeder luisterden af en toe stiekem naar een Engelse zender. Ook dat was uiteraard niet zonder gevaar, weet Maria nog heel goed. “We woonden in een benedenhuis. Er was een trap naar boven en daaronder zaten zij te luisteren. Ik werd ondertussen de straat opgestuurd. Als Duitsers dan mogelijk aan kwamen bellen of dat er anderszins onraad was, moest ik als de donder naar huis om dat te vertellen.”
Pannenkoeken van tulpenbollen
Gebrek en schaarste deden zich steeds meer gelden. Vader Verheijdt was echter een handige man. “Hij had een grote wiek op het dak gemaakt. In huis waren daar kleine fietslampjes op aangesloten. Zodoende hadden we toch nog verlichting. Gas en ander licht waren er niet.” Honger was er daarentegen wel. “O, zeker weten”, reageert Maria direct, “ik heb tulpenbollen moeten eten!”
Voor overig eten moesten de Verheijdts letterlijk de boer op. Ze gingen daarbij naar ‘de Noord’ (zo werd de rest van Noord-Holland genoemd). “Dat ging lopend”, ziet Maria het nog steeds voor zich. “Vader had daarvoor een kar gemaakt. Moeder en hij namen lakens, slopen en kleding mee. Boeren wilden in ruil allemaal spullen hebben. Het beddengoed kwam vaak de schoorstenen uit op de boerderijen. Ik bleef meestal thuis. Ik zorgde dat bij thuiskomst het eten klaar was, pannenkoeken gemaakt van tulpenbollen.” Een enkele keer ging Maria mee. “We sliepen dan ‘s nachts bij de boeren op de hooizolder. Ach, en dan kwam je ook nog met ongedierte thuis.”
Bevrijdingsfeest
Maria herinnert zich de bevrijding(stijd) nog heel goed. “Moeder en ik moesten hout halen voor de potkachel. We waren op de Kleverlaan bezig. Daar had je van die eenmansgaten. Dat waren gaten in de grond met rondom hout. Je kon erin schuilen. Ze waren natuurlijk niet voor ons bedoeld. We waren net zo’n gat aan het slopen om het hout mee te nemen, toen er een meneer langs fietste. ‘Jongelui, stop er maar mee, want de oorlog is afgelopen’, zei hij. Daarna kreeg je de Canadezen en de feesten.”
![]()
vrijheid.nl






























