
Op vakantie met pubers
· leestijd 1 minuut Bij de lesIk zit met dit warme weer gezellig op een terrasje. Degene met wie ik heb afgesproken is wat verlaat. En zodoende heb ik, om de tijd te doden, alle tijd om het gesprek van de twee stellen aan het tafeltje naast me af te luisteren.
Beide stellen hebben pubers. En bij beiden is de afgelopen zomervakantie een ramp geworden. Vanwege slechte WiFi.
“Rij je me daar helemaal naar Zweden, in een prachtig natuurgebied, zijn m’n dochters ontevreden omdat de WiFi zo slecht is”, zegt man 1. Nog steeds furieus zodra hij het tafereel weer op z’n netvlies krijgt; “en maar klagen en mopperen.” Zijn vrouw doet ook een duit in het zakje: “dat twee van die grieten van 12 en 13 je hele vakantie verpesten!”
“Nou, dat hadden wij ook!”, reageert de andere man: “wij zijn eerder terug gekomen uit Frankrijk omdat onze jongens terug wilden vanwege de WiFi.”
“Komende zomer gaan we dat niet doen; geen gezeur”, vult zijn vrouw aan, “ondankbaar pubergedoe.”
Het woordje ‘pubergedoe’ blijft hangen in mijn hoofd. Ik herinner me een lezing over op vakantie gaan met kinderen.
De spreker gaf als tip om samen van de vakantievoorpret te genieten door een top drie te maken van ieders wensen. Wedden dat pubers WiFi op 1 zetten. Een zwembad op 2. En uitslapen op 3.
Achter de WiFi zit hun sociale netwerk; hun vrienden en hun lol. Dat willen ze helemaal niet missen. Opeens moeten kinderen verplicht een boek lezen, in de bergen wandelen en mee naar een museum. En het liefst zonder telefoon. Omdat ouders dat ‘echt vakantie’ vinden. Logisch dat kinderen dan gaan muiten.
Als je tegemoet komt aan ieders top 3; dan zullen kinderen ook gaan geven en nemen. Zelfs pubers. En dan hoef je echt niet eerder terug van vakantie.
Intussen ging het gesprek aan het buurtafeltje over de troep die hun kids maken en over school resultaten, en kwam mijn afspraak eraan.
Ik dacht nog net: “arme pubers, je zult toch zulke mopperende ouders hebben. Dan zou ik ook eerder terug willen van vakantie.”































